- Details
- Categorie: Artikel
- By Redactieteam-elfri.be
- Hits: 4
Bouwen door een mede-eigenaar op onverdeelde grond: welke vergoedingsregeling geldt?
Wanneer een mede-eigenaar op eigen kosten een gebouw opricht op onverdeelde grond, moet hij ten aanzien van de andere mede-eigenaars worden beschouwd als een andere persoon dan de grondeigenaar zelf, omdat hij niet enkel bouwt op zijn eigen aandeel, maar ook op dat van zijn deelgenoten. Daarom kan de regeling voor bouwen met eigen materialen op andermans grond ook in die verhouding toepassing vinden.
De andere mede-eigenaars kunnen in beginsel de verwijdering van het gebouw vragen, omdat een mede-eigenaar door een eenzijdige bebouwing zijn gewone gebruiksrecht overschrijdt. Als zij het gebouw evenwel behouden en geen verwijdering vragen, ontstaat een vergoedingsplicht.
Onder het oude recht betekent dit dat de bouwende mede-eigenaar in beginsel aanspraak kan maken op vergoeding van de waarde van de materialen en het arbeidsloon. De vergoeding wordt dus niet beperkt tot de loutere meerwaarde van het onroerend goed. Precies daarin ligt het belang van de regeling: het behoud van het gebouw door de mede-eigenaars brengt mee dat zij het voordeel van de constructie verwerven, zodat de bouwer niet mag worden herleid tot een beperkte aanspraak volgens de kostenleer.
De kostenleer speelt vooral een rol bij niet-zelfstandige werken, herstellingen of verbeteringen die niet als een afzonderlijk gebouw of zelfstandig bouwwerk kunnen worden beschouwd. In dat stelsel wordt onderscheid gemaakt tussen noodzakelijke, nuttige en luxe-uitgaven, en wordt bij nuttige uitgaven vaak slechts de meerwaarde vergoed. Voor een zelfstandige constructie op onverdeelde grond mag men echter niet zomaar naar die leer teruggrijpen.
De onderliggende gedachte is vermogensrechtelijk duidelijk. Door het behoud van het gebouw ontstaat aan de zijde van de mede-eigenaars een verrijking: zij behouden een constructie die door één mede-eigenaar met eigen middelen werd opgericht. Aan de zijde van de bouwer staat daar een verarming tegenover, bestaande uit de kosten die hij zelf heeft gedragen. De vergoedingsregels willen vermijden dat die vermogensverschuiving zonder passende compensatie in het vermogen van de andere mede-eigenaars verankerd blijft.
Ook onder het nieuwe recht blijft die benadering belangrijk. De regeling is daar meer uitdrukkelijk opgebouwd vanuit de gedachte van ongerechtvaardigde verrijking. Dat betekent dat bij behoud van het bouwwerk de vergoeding wordt benaderd vanuit de verhouding tussen de verrijking van de grondeigenaars, met name de meerwaarde of het vermogensvoordeel dat zij verkrijgen, en de verarming van de bouwer, met name zijn uitgaven voor materialen en arbeid. De focus verschuift dus nog duidelijker naar de vermogensverschuiving die door de natrekking ontstaat.
Samengevat komt het erop neer dat het behoud van een door een mede-eigenaar opgericht gebouw niet zonder financiële gevolgen blijft. Zodra de andere mede-eigenaars het bouwwerk laten bestaan en het voordeel ervan in de onverdeeldheid behouden, moet worden nagegaan welke vergoeding verschuldigd is wegens de verrijking die daardoor ontstaat en wegens de verarming die de bouwende mede-eigenaar heeft ondergaan.
LINKS
Dit is een voorbeeld van tekst die Elfri zelf beheert :)
Dit is WYSIWYG met uitgebreide mogelijkheden om de teks te formateren
RECHTS
Dit is een voorbeeld van tekst die Elfri zelf beheert :)
Dit is WYSIWYG met uitgebreide mogelijkheden om de teks te formateren
