Artikel 2276, tweede lid BW voorziet in een bijzondere tweejarige verjaringstermijn voor aanspraken tegen gerechtsdeurwaarders die verband houden met hun aansprakelijkheid voor het verlies of de vernietiging van toevertrouwde stukken. Deze bepaling vormt een uitzonderingsregel op de algemene verjaringstermijnen van artikel 2262bis BW en beoogt een evenwicht tussen de bescherming van de rechtzoekende en de rechtszekerheid van de gerechtsdeurwaarder.
De korte termijn vloeit voort uit de specifieke aard van de gerechtsdeurwaardersopdracht, die doorgaans een administratief en uitvoerend karakter heeft en waarvan de stukken in beginsel slechts tijdelijk moeten worden bewaard. Om oneindige aansprakelijkheid te vermijden, bepaalt de wet dat de gerechtsdeurwaarder slechts gedurende een beperkte periode kan worden aangesproken voor fouten of nalatigheden bij de bewaring van akten, documenten of bewijsstukken die hem in het kader van zijn ambt werden toevertrouwd.
De verjaring vangt aan op het moment van de uitvoering van de opdracht of van de betekening van de akte waarmee de gerechtsdeurwaarder belast is. Vanaf dat ogenblik wordt zijn bewaarplicht geacht te lopen, en kan de partij die meent schade te hebben geleden door verlies, beschadiging of vernietiging van stukken hem in aansprakelijkheid aanspreken.
De gerechtsdeurwaarder heeft daarbij een minimum bewaarplicht van twee jaar. Binnen deze termijn moet hij de stukken die hem zijn toevertrouwd, beschikbaar houden voor de partijen of voor de bevoegde instanties. Na het verstrijken van die termijn vervalt de verplichting tot bewaring, tenzij een bijzondere regeling (bijvoorbeeld inzake strafdossiers of fiscale documenten) een langere termijn voorschrijft.
De verjaring heeft een puur bevrijdend karakter: zij bevrijdt de gerechtsdeurwaarder van zijn eventuele burgerlijke aansprakelijkheid, maar verleent hem geen eigendomsrecht op de stukken of documenten die hij bewaart. Het betreft dus geen verkrijgende verjaring, maar enkel een uitsluiting van verhaal na verloop van twee jaar.
In de praktijk betekent dit dat een partij die meent dat de gerechtsdeurwaarder verantwoordelijk is voor het verlies van een akte, een bewijsstuk of enig ander document, binnen twee jaar na de uitvoering of betekening een vordering tot schadevergoeding moet instellen. Na het verstrijken van deze termijn is de gerechtsdeurwaarder bevrijd van elke aansprakelijkheid, ongeacht of de schade pas later aan het licht komt.
De korte verjaringstermijn illustreert het streven van de wetgever naar administratieve efficiëntie en rechtszekerheid in de uitoefening van het ambt van gerechtsdeurwaarder. Zij weerspiegelt tegelijk het vertrouwen dat aan deze openbare ambtenaren wordt geschonken, maar ook de noodzaak om hun aansprakelijkheid binnen redelijke grenzen te houden.
