De opname van dierenwelzijn in artikel 7bis van de Grondwet is zonder twijfel een betekenisvolle keuze. Zij bevestigt op constitutioneel niveau dat dieren niet louter objecten zijn, maar wezens met gevoel waarvan bescherming en zorg een opdracht voor de overheid vormen. Dat heeft maatschappelijke en ethische waarde, en het kan op termijn ook invloed uitoefenen op het wetgevend en bestuurlijk denken.
Toch moet de juridische reikwijdte nuchter worden beoordeeld. Doordat niet werd gekozen voor artikel 23, doordat de toetsing door het Grondwettelijk Hof niet werd uitgebreid en doordat geen standstill-verplichting werd verbonden aan de nieuwe bepaling, bleef de concrete rechtswerking bewust beperkt. De grondwetswijziging markeert dus vooral een symbolische constitutionele erkenning, eerder dan een onmiddellijke juridische versterking van de bescherming van dieren.
In die zin is de hervorming tegelijk belangrijk en bescheiden: belangrijk omdat zij een duidelijke waarde inschrijft in de Grondwet, bescheiden omdat zij die waarde niet omzet in een krachtig afdwingbaar juridisch instrument.
