- Details
- Categorie: Artikel
- By Redactieteam-elfri.be
- Hits: 4
Proces-verbaal als tegenbewijs bij het vermoeden van vergunning: een strikte benadering
Proces-verbaal als tegenbewijs bij het vermoeden van vergunning: een strikte benadering
Het ruimtelijk ordeningsrecht vertrekt voor oudere constructies van het uitgangspunt dat zij onder bepaalde voorwaarden als vergund kunnen worden beschouwd. Dit vermoeden van vergunning beoogt rechtszekerheid te bieden voor gebouwen die werden opgericht in een periode waarin de vergunningenpraktijk minder sluitend was dan vandaag. Voor constructies uit een welbepaalde overgangsperiode geldt evenwel geen absoluut, maar een weerlegbaar vermoeden. Dat onderscheid is cruciaal, omdat het bepaalt in welke mate en op welke wijze de overheid het vergunde karakter nog kan betwisten.
Bewijs van de oprichtingstijd
In een eerste fase rust op de eigenaar of aanvrager de last om aannemelijk te maken dat de constructie effectief werd opgericht binnen de relevante periode. Dat bewijs kan worden geleverd met alle rechtens toegelaten middelen. Het gaat daarbij om een ruime waaier van documenten en gegevens, zoals akten, administratieve stukken, correspondentie, verklaringen of andere aanwijzingen die samen een coherent beeld geven van het tijdstip van oprichting. Het bestuur moet deze elementen beoordelen op hun geloofwaardigheid en samenhang, maar beschikt daarbij niet over een ruime appreciatiemarge. Het moet nagaan of redelijkerwijze kan worden aangenomen dat de constructie in de juiste periode tot stand is gekomen.
Tegenbewijs door de overheid
Wanneer voldoende is aangetoond dat de constructie binnen de relevante periode werd opgericht, rijst de vraag of het vermoeden van vergunning standhoudt. Voor constructies waarvoor slechts een weerlegbaar vermoeden geldt, heeft de decreetgever de mogelijkheden tot weerlegging uitdrukkelijk beperkt. Het vergunde karakter kan enkel worden ontkracht door welbepaalde vormen van tegenbewijs die bovendien tijdig moeten zijn opgesteld. Daarmee wordt vermeden dat het vermoeden via indirecte of laattijdige elementen alsnog wordt uitgehold.
Een proces-verbaal dat betrekking heeft op de betrokken constructie en dat werd opgesteld binnen de wettelijk bepaalde termijn na de oprichting, volstaat op zichzelf om het vermoeden te weerleggen. Aan dat proces-verbaal worden geen bijkomende voorwaarden gekoppeld. Het hoeft niet te hebben geleid tot verdere handhaving, noch tot een strafrechtelijke, burgerlijke of herstelvordering. Ook het feit dat eventuele inbreuken later zouden zijn verjaard, doet geen afbreuk aan de waarde van het proces-verbaal als tegenbewijs.
Geen ruimte voor bijkomende voorwaarden
Een strikte lezing van de regelgeving impliceert dat noch het bestuur, noch de rechter bijkomende vereisten mag toevoegen die niet uitdrukkelijk zijn voorzien. Wie verlangt dat een proces-verbaal effectief werd gevolgd door vervolging of herstelmaatregelen, leest voorwaarden in de regeling die er niet in staan. Het tegenbewijs bestaat in het loutere feit dat destijds een formele vaststelling werd gedaan van een niet-vergunde toestand. Dat volstaat om het vermoeden te doorbreken.
Gebonden bevoegdheid en rechterlijke toetsing
De beoordeling van het vermoeden van vergunning is geen beleidsmatige afweging. Het bestuur toetst niet aan ruimtelijke ordeningscriteria of aan de goede ruimtelijke ordening, maar verricht een feitelijke controle van het beschikbare bewijsmateriaal. In die zin gaat het om een gebonden bevoegdheid. Wanneer een geldig en tijdig proces-verbaal voorligt, moet het bestuur het vermoeden weigeren te aanvaarden. Omgekeerd moet het vermoeden worden erkend wanneer dergelijk tegenbewijs ontbreekt.
Ook de rechter kan deze beoordeling volledig toetsen. Er is geen reden voor een louter marginale redelijkheidstoets, aangezien geen complexe of beleidsmatige beoordeling aan de orde is. De controle omvat de vraag of de wettelijke voorwaarden correct zijn toegepast op de vastgestelde feiten.
Rechtszekerheid als leidraad
De gekozen benadering verzoent twee doelstellingen. Enerzijds wordt rechtszekerheid geboden aan eigenaars die hun constructie kunnen situeren binnen de relevante periode en waarvoor geen tijdig tegenbewijs bestaat. Anderzijds blijft het mogelijk om manifest niet-vergunde constructies uit diezelfde periode aan het vermoeden te onttrekken wanneer destijds effectief werd opgetreden. Door de weerlegging te beperken tot duidelijk omschreven en formele bewijsstukken wordt vermeden dat discussies blijven aanslepen op basis van indirecte of laattijdige elementen. Deze strikte maar heldere regeling draagt bij tot een voorspelbare en juridisch consistente toepassing van het vermoeden van vergunning.
LINKS
Dit is een voorbeeld van tekst die Elfri zelf beheert :)
Dit is WYSIWYG met uitgebreide mogelijkheden om de teks te formateren
RECHTS
Dit is een voorbeeld van tekst die Elfri zelf beheert :)
Dit is WYSIWYG met uitgebreide mogelijkheden om de teks te formateren
