- Details
- Categorie: Rechtsleer
- By Redactieteam-elfri.be
- Hits: 4
De procespositie van de minderjarige in het jeugdrecht
Burgerlijke procedures versus jeugdbescherming
Minderjarigen zijn in beginsel rechtsbekwaam, maar handelings- en procesonbekwaam.
De principiële onbekwaamheid van de minderjarige om materiële rechtshandelingen en proceshandelingen te stellen, resulteert niet in een rechtsonbekwaamheid van de minderjarige. De rechten van de minderjarige worden gerealiseerd middels tussenkomst van de wettelijke vertegenwoordigers van de minderjarige treden voor de minderjarige in het rechtsverkeer op.
De wettelijke vertegenwoordigers zijn zij die die het gezag uitoefenen over de minderjarigen (lees de de ouders of voogden van de minderjarige (art. 376 en 405 oud BW).
Een persoon is slechts vanaf de leeftijd van achttien jaar bekwaam tot alle handelingen van het burgerlijke leven (art. 488 oud BW);
De minderjarige is handelingsonbekwaam voor wat betreft alle rechtshandelingen en alle rechtsvorderingen, behoudens de uitdrukkelijk door de wet aangegeven of op basis van een rechtsgewoonte aanvaarde uitzonderingen;
Dit houdt in dat de minderjarige - behoudens uitdrukkelijke afwijkende wettelijke bepaling in specifieke materies - niet zelf kan optreden in een gerechtelijke procedure;
Noch de artikelen 3, 9 en 12 IVRK, noch artikel 8 EVRM of artikel 22bis Grondwet vereisen dat het minderjarige kind in de gelegenheid wordt gesteld als partij tussen te komen en een vordering in te stellen in geschillen tussen zijn ouders aangaande de uitoefening van het ouderlijk gezag over zijn persoon.
Het feit dat doordat de minderjarige niet als procespartij kan optreden, hij ook geen stukken kan neerleggen, is niet relevant, nu het de minderjarige hetzij rechtstreeks, hetzij via zijn voogd ad hoc of zijn jeugdadvocaat vrijstaat de nodige stukken aan het Openbaar Ministerie over te maken, en niet valt in te zien waarom het Openbaar Ministerie als procespartij vervolgens deze stukken niet zou neerleggen in de procedure voor zover ze enerzijds regelmatig verkregen werden en anderzijds in verband staan met de betwisting waarover de rechter uitspraak moet doen. Een voogd ad hoc kan principieel evenwel niet de handelingsonbekwaamheid verhelpen door namens de minderjarige op te treden.
Uitzondering wordt onder meer gemaakt voor het jeugdrecht dat voorziet in verschillende inzake jeugdbescherming waarbij aan de minderjarige ruime inspraakmogelijkheden wordt gegeven waaruit een zekere handelings- en procesbekwaamheid valt af te leiden.
Artikel 56, eerste lid Jeugdbeschermingswet stelt dat minderjarigen ‘partijen in het debat’ zijn wanneer ten aanzien van hen jeugdbeschermingsmaatregelen worden genomen.
Minderjarigen kunnen evenwel niet als partij worden aanzien wanneer de jeugdrechtbank maatregelen vordert ten aanzien van de ouders van de minderjarige inzake sociale uitkeringen (zoals het groeipakket).
Vanaf de leeftijd van 12 jaar ontvangt de minderjarige aldus zelf de dagvaarding of waarschuwing en de minderjarige jonder dan 12 jaar kan door de jeugdrechtbank worden opgeroepen, ondermeer in het kader van het hoorrecht.
Ouders (of voogden) hebben een eigen hoedanigheid in deze procedure, naast de minderjarige. Dit betekent dat de personen die het gezag uitoefenen over de minderjarige, in deze procedure de minderjarige niet vertegenwoordigen. Zij kunnen dus ook namens de minderjarige geen beroep of cassatie instellen.
Anderzijds hebben minderjarigen het recht hebben om te worden gehoord tijdens het proces dat leidt tot beslissingen die hen aangaan en het recht hebben om daaraan deel te nemen.
Art. 52ter eerste lid Jeugdbeschermingswet bepaalt dat de jeugdrechtbank is overeenkomstig die bepaling verplicht is om de minderjarige vanaf de leeftijd van 12 jaar in persoon te horen alvorens enige maatregel kan worden genomen tenzij wanneer de minderjarige niet kan worden gevonden, de gezondheidstoestand ,van de minderjarige het niet toelaat of de minderjarige weigert te verschijnen. Onder de 12 jaar oordeelt de jeugdrechtbank zelf over de opportuniteit om de minderjarige te horen. Indien een minderjarige minder dan 12 jaar niet gehoord wordt, wordt deze vertegenwoordigd door de jeugdadvocaat.
Deze regeling inzake het hoorrecht van minderjarigen in het jeugdbeschermingsrecht wijkt af van de regeling met betrekking tot de materies van het ouderlijk gezag, verblijfsregelingen of het recht van persoonlijk contact van artikel 1004/1 gerechtelijk wetboek:
Art. 1004/1.1 § 1.2 Elke minderjarige heeft het recht gehoord te worden door een rechter in materies die hem aanbelangen aangaande de uitoefening van het ouderlijk gezag, de verblijfsregeling en het recht of het persoonlijk contact. Hij heeft het recht om te weigeren gehoord te worden.]2
§ 2. De minderjarige die jonger is dan twaalf jaar wordt gehoord op zijn verzoek, op verzoek van de partijen, van het openbaar ministerie of, ambtshalve, van de rechter. De rechter kan, middels een door de omstandigheden van de zaak gemotiveerde beslissing, weigeren de minderjarige die jonger is dan twaalf jaar te horen, behalve wanneer dat verzoek van deze laatste of van het openbaar ministerie uitgaat. Tegen die beslissing van weigering kan geen rechtsmiddel worden aangewend.
§ 3. De minderjarige die twaalf jaar oud is, wordt door de rechter ingelicht [2 ...]2 over zijn recht om gehoord te worden overeenkomstig artikel 1004/2. Bij die informatie wordt een antwoordformulier gevoegd.
§ 4. Indien de minderjarige in de loop van de rechtspleging of in een vorige aanleg reeds is gehoord, zelfs voor een andere rechtbank, is de rechter niet verplicht op het verzoek in te gaan, indien er geen nieuw element is dat een verhoor rechtvaardigt.
§ 5. De rechter hoort de minderjarige op een plaats die hij geschikt acht. Tenzij de rechter hier bij een met redenen omklede beslissing van afwijkt, vindt het onderhoud plaats buiten de aanwezigheid van wie ook.
Het verslag van het onderhoud wordt bij het dossier van de rechtspleging gevoegd. Het geeft weer wat de minderjarige heeft gezegd. De minderjarige wordt geïnformeerd over het feit dat de partijen er kennis van kunnen nemen. [2 De rechter informeert de minderjarige over de inhoud van het verslag en gaat na of het verslag de mening van de minderjarige verwoordt.]2.
De minderjarige ondertekent het verslag niet. Indien de rechter tijdens het onderhoud vaststelt dat de minderjarige niet over het nodige onderscheidingsvermogen beschikt, maakt hij hiervan melding in het verslag.
§ 6. Het onderhoud met de minderjarige heeft niet tot gevolg dat hij partij in het geding wordt.
Aan de mening van de minderjarige wordt passend belang gehecht in overeenstemming met zijn leeftijd en maturiteit.
Recht op bijstand door een Jeugdadvocaat
De minderjarige heeft voor elke verschijning voor de jeugdrechtbank recht op bijstand door een (jeugd)advocaat (Art. 52ter, tweede lid Jeugdbeschermingswet) en Art. 15, § 2, tweede lid Vlaams Jeugddelinquentiedecreet..
Art. 1, § 4 KB 18 december 2003 tot vaststelling van de voorwaarden van de volledige of gedeeltelijke kosteloosheid van de juridische tweedelijnsbijstand en de rechtsbijstand, BS 24 december 2003., voorziet in de kosteloosheid van deze tussenkomst.
Indien de minderjarige zelf geen jeugdadvocaat heeft gekozen wordt er ambtshalve een jeugdadvocaat aangesteld telkens er een tegenstrijdig belang bestaat tussen de minderjarige en de personen die het ouderlijk gezag over de minderjarige uitoefenen
Persoonlijke verschijning
Artikel 52ter, eerste lid Jeugdbeschermingswet en Art. 15, § 1, eerste lid Vlaams Jeugddelinquentiedecreet bepalen dat de minderjarigen vanaf de leeftijd van 12 jaar in persoon voor de jeugdrechtbank moet verschijnen.
Vertegenwoordiging door de jeugdvocaat
De rechtsleer neigt de mogelijkheid tot vertegenwoordiging in het jeugdbeschermingsrecht door de jeugdadvocaat positief te beantwoorden (al blijft hierover discussie bestaan).
Hierbij kan verwezen naar het Hof van Cassatie dat stelde:
“[…] de wens om zich door een advocaat te doen vertegenwoordigen, maakt deel uit van het recht van verdediging en is fundamenteel voor het recht op een eerlijke behandeling van de zaak; de jeugdrechtbank kan oordelen dat de minderjarige, gelet op de omstandigheden van de zaak, wegens het enkele feit dat hij niet verschijnt, niet het recht kan worden ontzegd om op de rechtszitting door zijn raadsman te worden vertegenwoordigd”.
Rechtsleer:
E. Alofs en S. De Bus, De procespositie van de minderjarige in het jeugdrecht, T. Fam. 2022/5-6, 145
LINKS
Dit is een voorbeeld van tekst die Elfri zelf beheert :)
Dit is WYSIWYG met uitgebreide mogelijkheden om de teks te formateren
RECHTS
Dit is een voorbeeld van tekst die Elfri zelf beheert :)
Dit is WYSIWYG met uitgebreide mogelijkheden om de teks te formateren
