De vijfjarige verjaringstermijn van artikel 2262bis, §1, tweede lid BW begint te lopen zodra het slachtoffer daadwerkelijke kennis heeft van zowel de schade als van de identiteit van de aansprakelijke persoon. Deze twee kennisvereisten zijn cumulatief: de termijn gaat pas lopen als het slachtoffer beide elementen kent. Zolang één van deze twee onbekend blijft, begint de verjaring niet te lopen.
In de meeste gevallen weet het slachtoffer meteen wie de schade heeft veroorzaakt en waarin de schade bestaat. Toch ontstaan in de praktijk moeilijkheden bij de beoordeling van het precieze aanvangspunt van de termijn.
De rol van het causaal verband
De wet vermeldt niet dat het slachtoffer kennis moet hebben van het causaal verband tussen de fout en de schade. Sommige rechtspraak oordeelde dat kennis van het oorzakelijk verband geen vereiste is om de termijn te doen lopen. In een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt (30 juni 2008) werd beslist dat de verjaring reeds begon te lopen toen het slachtoffer wist dat zij schade had geleden en wie haar had behandeld, zonder dat het oorzakelijk verband al vaststond.
De meerderheid van de rechtsleer volgt dit standpunt echter niet. Volgens de heersende opvatting moet het slachtoffer voldoende zekerheid hebben over het oorzakelijk verband alvorens de termijn kan aanvangen. De kennis van de identiteit van de dader impliceert immers dat men weet dat er een verband bestaat tussen diens fout en de geleden schade.
Effectieve of normatieve kennis
Een tweede discussie betreft de vraag of de kennisvereisten slaan op de daadwerkelijke (subjectieve) kennis van het slachtoffer, of op wat een normaal zorgvuldig persoon behoren te weten (normatieve kennis).
Lange tijd aanvaardde een deel van de rechtsleer dat normatieve kennis volstond: wie redelijkerwijze had moeten weten dat er schade was en wie die veroorzaakt had, werd geacht kennis te hebben.
Het Hof van Cassatie heeft in een principearrest van 26 april 2012 deze benadering verworpen. Het Hof besliste dat enkel daadwerkelijke kennis het aanvangspunt van de verjaring bepaalt. De verjaring begint dus niet te lopen op het moment waarop men geacht wordt kennis te hebben, maar pas wanneer men de feiten werkelijk kent.
Wel moet de rechter die kennis objectief afleiden uit concrete omstandigheden. Het volstaat niet dat het slachtoffer louter beweert niet op de hoogte te zijn geweest. De rechter moet nagaan of het slachtoffer in de feiten effectief onwetend was, of integendeel uit loutere nalatigheid niet heeft willen weten.
Onderzoeksplicht en bewijs van kennis
Hoewel daadwerkelijke kennis vereist is, sluit dit niet uit dat op het slachtoffer een redelijke onderzoeksplicht rust. Wie uit nonchalance geen stappen zet om de oorzaak of de dader van zijn schade te achterhalen, kan zich niet beroepen op onwetendheid. De rechter moet daarbij een onderscheid maken tussen echte onwetendheid en laksheid.
De partij die zich op verjaring beroept, moet bewijzen dat het slachtoffer meer dan vijf jaar vóór de inleiding van zijn vordering kennis had van de schade en van de dader. De bewijsregels van artikel 1315 BW en 870 Ger.W. zijn daarbij van toepassing.
Kennis van de schade
De eerste kennisvereiste betreft de schade zelf. Het slachtoffer moet weten dat er schade is, maar de omvang ervan hoeft niet vast te staan. Het Hof van Cassatie verduidelijkte in een arrest van 9 december 2010 dat kennis van de schade niet betekent dat de schade reeds volledig gekwantificeerd moet zijn. Het volstaat dat het slachtoffer weet dat hij schade heeft geleden, zelfs al moet een deskundige nog de precieze omvang vaststellen.
De kennis kan ook betrekking hebben op toekomstige schade wanneer redelijkerwijze vaststaat dat deze zich zal voordoen.
Bij voortdurende of geleidelijke schadegevallen (zoals milieuschade) rijst de vraag wanneer de termijn aanvangt. Volgens een eerste visie begint de verjaring dagelijks te lopen naarmate de schade zich manifesteert; volgens een tweede visie pas wanneer het schadeverwekkende gedrag ophoudt en de schade volledig kan worden vastgesteld.
Bij verzwaring van schade begint voor de bijkomende schade een nieuwe verjaringstermijn te lopen, te rekenen vanaf de kennis van die verzwaring.
Kennis van de identiteit van de dader
Het tweede kennisvereiste betreft de identiteit van de aansprakelijke persoon. De termijn begint pas te lopen wanneer het slachtoffer voldoende gegevens kent om de dader concreet te kunnen identificeren en in rechte te dagvaarden.
Het Hof van Cassatie bevestigde in een arrest van 22 september 2011 dat hiervoor geen strafrechtelijke veroordeling van de dader vereist is: het volstaat dat het slachtoffer weet wie de vermoedelijke dader is.
Van het slachtoffer mag verwacht worden dat het enig onderzoek verricht om de dader te identificeren. Wie bewust nalaat na te gaan wie aansprakelijk is, kan zich niet beroepen op onwetendheid.
Wanneer het slachtoffer aanvankelijk de verkeerde persoon aanspreekt, begint de verjaring tegen de werkelijke dader pas te lopen op het moment dat het slachtoffer diens identiteit kent. Bij meerdere daders kan de verjaring tegen elk van hen afzonderlijk en op een verschillend tijdstip aanvangen, naargelang de kennis over hun betrokkenheid wordt verworven.
Conclusie
Het aanvangspunt van de vijfjarige verjaringstermijn bij buitencontractuele aansprakelijkheid is een feitelijke en individuele beoordeling. De rechter moet vaststellen wanneer het slachtoffer daadwerkelijk kennis had van zowel de schade als de identiteit van de dader. Enkel dan begint de termijn te lopen.
De rechtspraak van het Hof van Cassatie heeft met het arrest van 26 april 2012 duidelijk gekozen voor een subjectieve benadering, waarbij daadwerkelijke kennis vereist is, maar waarbij de rechter in concreto moet nagaan of het slachtoffer niet uit nalatigheid heeft nagelaten de relevante feiten te achterhalen. Deze evenwichtige interpretatie beschermt tegelijk de belangen van het slachtoffer én de rechtszekerheid van de aansprakelijke partij.
