FAQ – De twintigjarige verjaringstermijn in het Belgisch recht
1. Wat houdt de twintigjarige verjaringstermijn precies in?
De twintigjarige verjaring is een absolute of objectieve verjaringstermijn. Ze bepaalt dat elke vordering tot schadevergoeding definitief verjaart twintig jaar na het feit waardoor de schade is veroorzaakt, ongeacht of het slachtoffer op dat moment weet had van de schade of van de aansprakelijke persoon.
Het gaat dus om een onherroepelijke uiterste termijn, die losstaat van subjectieve kennis en niet kan worden verlengd of opgeschort, behalve in de gevallen die de wet uitdrukkelijk bepaalt.
2. Voor welke vorderingen geldt deze termijn vandaag nog?
De twintigjarige verjaring geldt vandaag uitsluitend voor:
-
vorderingen tot schadevergoeding op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid;
-
de burgerlijke vordering uit misdrijf;
-
vorderingen tot herstel van schade zonder specifieke verjaringstermijn (bijvoorbeeld bepaalde administratieve of quasi-delictuele aanspraken).
In die zin fungeert artikel 2262bis BW als restbepaling: telkens wanneer geen andere termijn geldt, is de twintigjarige absolute verjaring van toepassing.
3. Bestaat de twintigjarige verjaring nog voor eigendom en andere zakelijke rechten?
Nee. De twintigjarige verjaring voor zakelijke rechten (eigendom, erfdienstbaarheid, enz.) is afgeschaft met de inwerkingtreding van Boek 3 “Goederen” BW op 1 september 2021.
Vroeger bepaalde artikel 2262 BW dat eigendom kon worden verkregen of verloren door verjaring na twintig jaar. Dat artikel is opgeheven.
De verkrijgende en bevrijdende verjaring van zakelijke rechten wordt nu autonoom geregeld in Boek 3 BW, met eigen termijnen:
-
10 jaar bij bezit te goeder trouw en op grond van een geldige titel;
-
30 jaar in alle andere gevallen.
De twintigjarige verjaring speelt dus enkel nog een rol binnen het aansprakelijkheidsrecht.
4. Vanaf wanneer begint de twintigjarige termijn te lopen?
De termijn begint op het moment van het feit waardoor de schade is veroorzaakt. Dat begrip werd overgenomen uit het verzekeringsrecht, maar is niet gedefinieerd in de wet. Volgens de heersende rechtsleer betreft het:
“Het laatste feit dat, samen met de voorafgaande omstandigheden, voldoende is voor het ontstaan van de schade.”
Daaruit volgt:
-
bij plotselinge feiten (bv. verkeersongeval, foutieve medische handeling) begint de termijn te lopen vanaf het feit zelf;
-
bij voortdurende feiten (bv. lozingen, vervuiling, asbestblootstelling) begint zij pas te lopen wanneer de voortdurende toestand ophoudt;
-
bij opeenvolgende feiten met eenzelfde oorzaak (bv. reeks explosies) start zij na het laatste feit van de reeks.
5. Wat is het verschil tussen de vijfjarige en de twintigjarige verjaring?
-
De vijfjarige verjaring (art. 2262bis, §1, eerste lid BW) is subjectief: zij begint pas te lopen vanaf het ogenblik waarop het slachtoffer kennis heeft van de schade én van de aansprakelijke persoon.
-
De twintigjarige verjaring is objectief en absoluut: zij begint te lopen vanaf het schadeverwekkende feit, ongeacht kennis of bewustzijn, en vormt een onverlengbare bovengrens.
Zelfs als de schade pas na twintig jaar wordt ontdekt, is de vordering definitief verjaard.
6. Wat is de twintigjarige termijn bij een rechterlijk voorbehoud (art. 2262bis, §2 BW)?
Wanneer de rechter in een definitieve uitspraak een voorbehoud erkent voor toekomstige schade, kan het slachtoffer nog gedurende twintig jaar na die uitspraak een aanvullende schadevordering instellen.
Deze bepaling breidt het vroegere artikel 27 Wetboek van Strafvordering uit tot alle schadevorderingen.
Voorwaarde is wel dat het voorbehoud uitdrukkelijk door de rechter wordt toegekend; bij ontstentenis daarvan verjaart de aanvullende vordering volgens de gewone regels van §1.
7. Kan de twintigjarige verjaring worden gestuit of geschorst?
In beginsel niet. Omdat het gaat om een absolute termijn, wordt zij slechts gestuit of geschorst in uitzonderlijke, wettelijk voorziene gevallen, zoals overmacht of de minderjarigheid van het slachtoffer, indien de wet dit toelaat. De rechtspraak is hier uiterst restrictief.
8. Hoe verhoudt deze termijn zich tot de bijzondere verjaringstermijnen in het Burgerlijk Wetboek?
De artikelen 2271 tot 2278bis BW bevatten tal van bijzondere verjaringstermijnen, waaronder de zogenaamde kwijtende verjaringen, die berusten op een vermoeden van betaling.
De twintigjarige verjaring uit artikel 2262bis BW fungeert als algemene residuaire regeling: zij geldt enkel wanneer geen andere bijzondere (kortere) termijn is bepaald.
9. Wat gebeurt er bij voortdurende schade of bij schade die zich pas later manifesteert?
Wanneer het schadeverwekkende feit voortduurt (bijv. voortdurende vervuiling) of wanneer schade progressief ontstaat, wordt het aanvangspunt verschoven naar het moment waarop de handeling of toestand eindigt.
De rechtsleer tracht zo te vermijden dat de absolute termijn reeds verstrijkt terwijl de schade nog voortduurt. Toch blijft de twintigjarige grens absoluut: eens de termijn is verstreken, is elke vordering onontvankelijk, ook bij latere manifestatie van bijkomende schade.
10. Wat is vandaag de praktische relevantie van de twintigjarige verjaring?
Hoewel zij in het moderne verbintenissenrecht minder vaak wordt bereikt, blijft de twintigjarige verjaring cruciaal in langlopende dossiers, zoals:
-
milieuschade en bodemverontreiniging;
-
asbest- en andere beroepsziekten;
-
gebrekkige constructies of producten met latente gebreken;
-
aansprakelijkheid bij wetenschappelijke of medische onzekerheid.
Zij vormt de onverzettelijke grens tussen herstel en rechtszekerheid: eenmaal de twintig jaar verstreken zijn, is de aansprakelijkheid definitief uitgedoofd.
