Bestuurlijke beslissingen genieten traditioneel een vermoeden van wettigheid. Dat betekent dat een bestuurlijke beslissing geacht wordt wettig te zijn zolang zij niet wordt vernietigd, geschorst of buiten toepassing gelaten. Het bestuur hoeft dus niet eerst naar een rechter te stappen om zijn beslissing rechtsgevolgen te laten hebben.
Dat vermoeden is een belangrijk kenmerk van het bestuursrecht. Het hangt samen met de bijzondere positie van het bestuur, dat handelt in het algemeen belang en beslissingen moet kunnen nemen die onmiddellijk uitwerking hebben. Zonder dat vermoeden zou de bestuurlijke besluitvorming moeilijk werkbaar zijn.
Toch mag het belang van het vermoeden van wettigheid niet worden overschat. Het vermoeden betekent niet dat de feiten waarop een beslissing steunt automatisch juist zijn. Het betekent evenmin dat de burger steeds het volledige bewijs moet leveren van de onwettigheid van de beslissing.
Het vermoeden heeft vooral tot gevolg dat de burger het initiatief moet nemen wanneer hij een bestuurlijke beslissing wil betwisten. Hij moet beroep instellen en moet daarbij voldoende concreet aangeven waarom hij de beslissing onwettig acht. Blote beweringen volstaan niet. Het louter poneren van een andere mening volstaat evenmin. De burger moet precieze, concrete en relevante argumenten naar voren brengen.
Maar zodra de feiten waarop de beslissing steunt ernstig worden betwist, kan het bestuur niet passief blijven. Het moet kunnen aantonen dat het zijn beslissing heeft gebaseerd op juiste, volledige en zorgvuldig onderzochte gegevens. Het vermoeden van wettigheid ontslaat het bestuur niet van zijn zorgvuldigheidsplicht en ook niet van zijn plicht om de feitelijke grondslag van zijn beslissing te kunnen verantwoorden.
Het vermoeden van wettigheid mag dus niet worden begrepen als een algemene omkering van de bewijslast ten nadele van de burger. Het bestuur blijft finaal verantwoordelijk voor de feiten die zijn beslissing dragen. Als die feiten niet deugdelijk zijn vastgesteld, komt de beslissing in gevaar.
Dat blijkt ook uit het belang van het administratief dossier. Wanneer het bestuur het dossier niet of laattijdig neerlegt, kan dat belangrijke gevolgen hebben. In bepaalde procedures kunnen de feiten zoals de verzoekende partij ze uiteenzet dan voor waar worden gehouden, tenzij zij kennelijk onjuist zijn. Dat mechanisme toont aan dat het bestuur niet louter op het vermoeden van wettigheid kan steunen. Het moet zijn beslissing kunnen documenteren.
Het vermoeden van wettigheid heeft dus een dubbele betekenis. Enerzijds beschermt het de werking van het bestuur, doordat beslissingen uitvoerbaar zijn zolang zij niet met succes worden aangevochten. Anderzijds blijft het een weerlegbaar vermoeden. Het mag niet ontaarden in een schild waarachter gebrekkige feitenvinding schuilgaat.
Een evenwichtige benadering is noodzakelijk. De burger moet zijn betwisting voldoende concreet onderbouwen. Het bestuur moet vervolgens kunnen aantonen dat de feiten waarop het zich baseert zorgvuldig zijn vastgesteld. De bestuursrechter moet erop toezien dat het vermoeden van wettigheid niet wordt gebruikt om de daadwerkelijke controle op de feiten uit te hollen.
Dat is vooral van belang omdat de verhouding tussen burger en bestuur ongelijk is. Het bestuur beschikt vaak over meer informatie, meer deskundigheid en meer middelen om feiten te onderzoeken. Wanneer het vermoeden van wettigheid te ruim wordt opgevat, dreigt die ongelijkheid nog te worden versterkt.
Het vermoeden van wettigheid blijft dus een nuttig en noodzakelijk uitgangspunt, maar het moet worden ingebed in een ruimer bewijsrechtelijk kader. Het mag de rechtsbescherming van de burger niet uithollen. Het bestuur moet altijd kunnen aantonen dat zijn beslissing steunt op een behoorlijk feitenonderzoek.
