Het recht op informatie behoort tot de fundamentele pijlers van het gezondheidsrecht. Het garandeert de autonomie van de patiënt en stelt hem in staat om een vrije en geïnformeerde beslissing te nemen over medische behandelingen die hem worden voorgesteld. Toch blijkt in de praktijk dat een schending van die informatieplicht zelden aanleiding geeft tot een daadwerkelijke schadevergoeding.
De rechtspraak hanteert doorgaans een streng oorzakelijkheidsvereiste: de patiënt moet bewijzen dat hij, indien hij correct geïnformeerd was geweest, niet met de ingreep zou hebben ingestemd. Dat bewijs is in de meeste gevallen quasi onmogelijk. Slechts wanneer de verzwegen complicatie ernstig en frequent is, wordt dit aanvaard. In de overige gevallen blijft de patiënt verwezen naar de moeilijk toepasbare leer van het verlies van een kans, met vaak slechts een symbolische of beperkte vergoeding tot gevolg.
Nochtans raakt de schending van de informatieplicht rechtstreeks aan de menselijke waardigheid en aan het recht van de patiënt om zijn lichamelijke integriteit te beschermen. Het is moeilijk te verantwoorden dat dit fundamenteel recht praktisch niet afdwingbaar is. Daarom werd in het Franse recht een alternatieve oplossing ontwikkeld: de onvoorbereidheidsschade (préjudice d’impréparation).
Deze leer erkent een autonoom nadeel dat bestaat uit het feit dat de patiënt zich niet kon voorbereiden op het risico dat zich heeft verwezenlijkt, omdat hij daarover niet vooraf werd geïnformeerd. De schade bestaat dus niet in de lichamelijke of materiële gevolgen van de ingreep, maar in het psychisch en moreel leed dat voortvloeit uit het verrast worden door een complicatie waarvan men niet op de hoogte was. Voor deze schade is geen bewijs vereist dat de patiënt de ingreep zou hebben geweigerd. Het oorzakelijk verband ligt immers rechtstreeks tussen de fout (het gebrek aan informatie) en het nadeel (het niet kunnen voorbereiden).
In Frankrijk is deze benadering door het Hof van Cassatie erkend en uitgewerkt in meerdere arresten. Ook in de Belgische rechtsleer kreeg dit idee aanvankelijk steun. Enkele auteurs wezen erop dat het aanvaarden van deze autonome schadepost perfect past binnen de evolutie van het patiëntenrecht en de erkenning van de zelfbeschikking als grondbeginsel. Bovendien biedt ze een coherente oplossing waar de klassieke leer van het oorzakelijk verband tekortschiet.
Toch heeft het Belgische Hof van Cassatie de deur voorlopig gesloten. Het houdt vast aan de vereiste dat de patiënt moet aantonen dat hij niet met de ingreep zou hebben ingestemd. Daardoor wordt de mogelijkheid tot vergoeding in de praktijk nagenoeg uitgesloten. Het Hof had met recente arresten de kans om de leer van de onvoorbereidheidsschade te verankeren in het Belgische recht, maar liet die gelegenheid onbenut.
Het niet-aanvaarden van deze schadepost laat een leemte bestaan in de bescherming van patiëntenrechten. Zolang de Belgische rechtspraak vasthoudt aan een klassiek oorzakelijkheidsbegrip, blijft het recht op geïnformeerde toestemming zonder effectieve sanctie bij miskenning. De invoering van de onvoorbereidheidsschade zou dat evenwicht kunnen herstellen: zij erkent dat het ontbreken van voorbereiding op een risico dat zich realiseert een eigen, vergoedbaar nadeel vormt.
De toekomst zal moeten uitwijzen of de Belgische rechtspraak bereid is om deze Franse inspiratiebron te volgen. Een erkenning ervan zou niet alleen het normatieve gewicht van de informatieplicht versterken, maar ook het vertrouwen tussen arts en patiënt herwaarderen als essentieel element van de geneeskundige relatie.
