De Vlaamse Codex Fiscaliteit bevat eigen regels over zogenoemde fictieve legaten. Die regels moeten vermijden dat erfbelasting wordt omzeild via schijnbare verkopen of overdrachten onder bezwarende titel. Ze komen grotendeels overeen met de vroegere bepalingen uit het Wetboek der Successierechten, maar zijn aangepast aan de Vlaamse context.
- Details
- Categorie: Artikel
- By Redactieteam-elfri.be
- Hits: 4
Fictieve legaten en erfbelasting in het Vlaamse Gewest
De bedoeling van deze bepalingen is te verhinderen dat iemand tijdens zijn leven goederen overdraagt aan toekomstige erfgenamen, legatarissen of begiftigden via een constructie die eruitziet als een verkoop of een verdeling, maar in werkelijkheid een bevoordeling inhoudt. Wanneer zo’n verrichting wordt vastgesteld, wordt ze gelijkgesteld met een legaat: het goed wordt geacht deel uit te maken van de nalatenschap en er is erfbelasting op verschuldigd.
Er zijn drie soorten fictieve legaten. Een eerste geval doet zich voor wanneer de erflater een goed verkrijgt in vruchtgebruik en een derde de blote eigendom. In dat geval wordt vermoed dat het goed tot de nalatenschap behoort. Hetzelfde geldt voor effecten of geldbeleggingen die op die manier worden opgesplitst. Dat vermoeden geldt niet als bewezen wordt dat er geen bevoordeling is of wanneer de erflater langer heeft geleefd dan de derde.
Een tweede situatie betreft verdelingen waarbij aan de erflater een vruchtgebruik, een rente of een ander levenslang recht wordt toegekend dat vervalt bij zijn overlijden. Ook hier wordt de verrichting beschouwd als een legaat ten voordele van de andere deelgenoten, tenzij bewezen wordt dat er geen bevoordeling is.
Een derde geval doet zich voor wanneer de erflater goederen verkoopt of afstaat onder bezwarende titel, maar zich daarbij een vruchtgebruik of een ander levenslang recht voorbehoudt. In dat geval worden de goederen eveneens geacht deel uit te maken van de nalatenschap en wordt de verkrijger belast alsof hij legataris is.
Het gaat telkens om een wettelijk vermoeden dat kan worden weerlegd. Het bewijs dat er geen bevoordeling was, kan worden geleverd met alle middelen van gemeen recht, ook door vermoedens of getuigen. De bewijslast rust op degene die beweert dat de verrichting geen bevoordeling inhoudt.
Wanneer geen tegenbewijs kan worden geleverd, maar wel kan worden aangetoond dat de erflater het levenslange recht werkelijk heeft uitgeoefend, wordt de belastbare grondslag verminderd. De waarde van dat recht wordt daarbij gekapitaliseerd aan vier procent, berekend over het aantal jaren dat de erflater het genot effectief heeft gehad.
De Vlaamse Codex Fiscaliteit bepaalt ook hoe de belastbare waarde moet worden berekend bij verdelingen en verkopen onder bezwarende titel. De verhouding tussen de vermoedelijke bevoordeling en de waarde van de goederen op het ogenblik van de verrichting bepaalt welk deel belastbaar is bij overlijden.
Tot slot worden eerder betaalde verkoop- of verdeelrechten afgetrokken van de erfbelasting, voor zover de betrokken verrichting onder de fictiebepalingen valt.
Deze regels vormen samen een systeem dat vermogensoverdrachten met fiscaal voordeel wil neutraliseren. Ze laten ruimte voor tegenbewijs, maar treffen elke overdracht waarbij de erflater het genot behoudt terwijl de eigendom al is overgedragen. Zo wil de Vlaamse wetgever vermijden dat erfbelasting wordt ontweken via kunstmatige constructies.
Veelgestelde vragen over fictieve legaten in de Vlaamse erfbelasting
Wat is een fictief legaat?
Een fictief legaat is een overdracht die eruitziet als een verkoop of andere verrichting onder bezwarende titel, maar die door de fiscus wordt beschouwd als een schenking die pas uitwerking krijgt bij overlijden. Het goed wordt dan behandeld alsof het deel uitmaakt van de nalatenschap en wordt belast in erfbelasting.
Waarom bestaan deze regels?
De Vlaamse wetgever wil vermijden dat erflaters tijdens hun leven goederen “verkopen” of “verdelen” aan toekomstige erfgenamen om de erfbelasting te omzeilen. De bepalingen zorgen ervoor dat zulke constructies fiscaal worden geneutraliseerd.
Wanneer is er sprake van een fictief legaat?
Dat is het geval in drie situaties:
1. de erflater heeft het vruchtgebruik en een derde de blote eigendom van een goed;
2. de erflater krijgt bij een verdeling een levenslang recht (zoals een vruchtgebruik of een rente) dat vervalt bij zijn overlijden;
3. de erflater verkoopt of draagt een goed over maar behoudt zich het vruchtgebruik of een ander levenslang recht.
Kan ik het vermoeden weerleggen?
Ja. Het gaat om een weerlegbaar vermoeden. Wie betrokken is, kan met alle middelen van gemeen recht (zoals schriftelijke stukken, getuigen of vermoedens) bewijzen dat er geen bevoordeling was. De bewijslast ligt bij degene die het tegendeel beweert.
Wat als de erflater het vruchtgebruik echt heeft uitgeoefend?
Als bewezen wordt dat de erflater het vruchtgebruik of een ander levenslang recht werkelijk heeft genoten, wordt de belastbare waarde verminderd. De vermindering wordt berekend op basis van een kapitalisatie van vier procent per jaar over de periode waarin de erflater het recht effectief uitoefende.
Hoe wordt de belastbare waarde bepaald?
De Vlaamse Codex Fiscaliteit voorziet formules om de belastbare waarde te berekenen. Ze houden rekening met de verhouding tussen de vermoedelijke bevoordeling en de waarde van het goed op het moment van de verrichting en bij het overlijden.
Worden eerder betaalde rechten afgetrokken?
Ja. Als er bij de verkoop of de verdeling registratierechten zijn betaald, worden die in mindering gebracht van de erfbelasting voor zover de verrichting onder de fictiebepalingen valt.
Blijven deze regels nog gelden?
Ja. De bepalingen over fictieve legaten (artikelen 2.7.1.0.7 tot 2.7.1.0.9 VCF) zijn nog steeds van kracht in het Vlaamse Gewest, met kleine aanpassingen aan de algemene structuur van de Vlaamse Codex Fiscaliteit. De essentie is ongewijzigd gebleven.
Wat is het gevolg in de praktijk?
Wie goederen overdraagt maar zich het genot voorbehoudt, moet er rekening mee houden dat die goederen later toch belast kunnen worden in erfbelasting. Alleen als duidelijk bewezen wordt dat er geen bevoordeling was, kan dat resultaat worden vermeden.
Preview
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Overige tarieven Vlaams gewest sinds 01/09/2018
|
Toepasselijk tarief tussen broers en zusters
|
||||||||||||||||||||
|
|
||||||||||||||||||
|
Voorafgaande definitie: de samenwonenden in het Waals Gewest
Toepasselijke tarieven: De successierechten worden over het netto-aandeel van elk der rechtverkrijgenden geheven volgens het tarief in onderstaande tabellen aangeduid. Nalatenschap in rechte lijn (ascendenten en descendenten), tussen echtgenoten en tussen samenwonenden
Nalatenschap tussen broers en zusters
Nalatenschap tussen ooms of tantes en neven of nichten
Nalatenschap tussen andere personen
Brussels Hoofdstedelijk Gewest Voorafgaande definitie van wettelijk samenwonende in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest
Toepasselijk tarief in rechte lijn (ascendenten en descendenten), tussen echtgenoten en tussen samenwonenden Het tarief in kolom I wordt per rechtverkrijgende toegepast op zijn aandeel in de belastbare waarde van de goederen.
Tarief tussen broers en zusters Dit tarief wordt per rechtverkrijgende toegepast op zijn aandeel in de belastbare waarde van de goederen.
Tarief tussen ooms of tantes en neven of nichten Dit tarief wordt toegepast op de samengenomen aandelen van die personen in de belastbare waarde van de goederen.
Tarief tussen alle andere personen Dit tarief wordt toegepast op de samengenomen aandelen van die personen in de belastbare waarde van de goederen.
In elk Gewest bestaat er, onder strikte voorwaarden, een bijzondere regelgeving voor de overdracht door overlijden van ondernemingen.
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Successierechten op gezinwoning
Rechtspraak successierechten en samenwonenden:
Vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen
dd. 12.03.2008:link
samenvatting
Eiseres en overledene waren op het ogenblik van het overlijden meer dan zes jaar op hetzelfde adres ingeschreven. Een uittreksel uit het bevolkingsregister houdt een weerlegbaar vermoeden in van ononderbroken samenwoning en van het voeren van een gemeenschappelijke huishouding. Uit een brief van de verzorgingsinstelling waar overledene verbleef blijkt dat zij steeds in de instelling verbleven heeft. Zij heeft nooit op voormeld adres gewoond. Dit wordt ook niet door eiseres betwist. De Administratie heeft bijgevolg het tegenbewijs geleverd. Overmacht kan enkel ingeroepen worden voor een periode onmiddellijk aansluitend op de periode van één jaar ononderbroken samenwoning en gemeenschappelijke huishouding. Gelet op het feit dat er zo geen periode is geweest kan overmacht ter zake niet ingeroepen worden. Het tarief tussen samenwonenden kan derhalve niet worden toegepast.
VOLLEDIGE TEKST
VONNIS gewezen en uitgesproken in het gerechtsgebouw te Antwerpen, op twaalf maart tweeduizend en acht in openbare zitting van de vierde F kamer van de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen
In zake : A.R.Nr. 06/5330/A
D. H. R. A.,
gepensioneerde, wonende te A.
EISENDE PARTIJ
tegen :
DE BELGISCHE STAAT,
VERWERENDE PARTIJ
Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in
gerechtszaken.
Gelet op de verordeningen van de Raad van de ministers nummer 974/98
van 03 mei 1998 en nummer 1103/97 van 17 juni 1997 en de wetten van 26 juni 2000 en 30 juni 2000 ter invoering van de euro. Gehoord de partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 13 februari 2008.
* * *
De vordering strekt ertoe te zeggen voor recht dat eiseres samenwoonde met haar zuster zodat aan eiseres het voordeel dient verleend te worden van het tarief voorzien voor samenwonenden in toepassing van artikel 48 W.Succ., dienvolgens verweerder te veroordelen tot terugbetaling aan eiseres van de ingevolge dit toepasselijk tarief te veel betaalde bedragen, vermeerderd met de gerechtelijke intresten en de kosten van het geding.
Relevante feiten
Sedert 11 maart 1998 was de zuster van eiseres ingeschreven op het adres van eiseres. Op 17 december 2004 overleed haar zuster. Huidige betwisting heeft betrekking op de vraag of de successierechten lastens eiseres dienen berekend te worden op 11.842,22 EUR overeenkomstig het tarief tussen samenwonenden (stelling van eiseres), dan wel op 75.943,78 EUR overeenkomstig het tarief tussen broers en zusters (stelling van verweerder).
Beoordeling
Betreffende de toepassing van artikel 48 W.Succ. Het staat vast dat op het ogenblik van het overlijden er geen toestand van wettelijke samenwoning bestond tussen eiseres en haar zuster.
Krachtens artikel 48 W.Succ. wordt onder feitelijk samenwonenden verstaan de persoon of personen die op de dag van het openvallen van de nalatenschap, ten minste één jaar ononderbroken met de erflater samenwonen en er een gemeenschappelijke huishouding mee voeren; deze voorwaarden worden geacht ook vervuld te zijn indien het samenwonen en het voeren van een gemeenschappelijke huishouding met de erflater, aansluitend op de bedoelde periode van één jaar tot op de dag van het overlijden, ingevolge overmacht onmogelijk is geworden; een uittreksel uit het bevolkingsregister houdt een weerlegbaar vermoeden in van ononderbroken samenwoning en van het voeren van een gemeenschappelijke huishouding.
Hieruit volgt dat voor de toepassing van het tarief tussen samenwonenden eiseres en haar zuster ten minste een jaar ononderbroken dienden samen te wonen en een gemeenschappelijke huishouding dienden te voeren en de overmachtsituatie slechts kan worden ingeroepen voor de periode onmiddellijk aansluitend op voornoemde periode van ten minste één jaar ononderbroken samenwoning en gemeenschappelijke huishouding.
Niettegenstaande eiseres en haar zuster sedert 11 maart 1998 ingeschreven waren op hetzelfde adres, houdt dit overeenkomstig artikel 48 W.Succ. slechts een weerlegbaar vermoeden in van ononderbroken samenwoning en van het voeren van een gemeenschappelijke huishouding zodat verweerder hiervan het tegenbewijs mag leveren.
Uit de brief van 29 juni 2005 van het psychiatrisch verzorgingstehuis D. blijkt dat de zuster van eiseres reeds op 20 november 1972 werd opgenomen in het psychiatrisch ziekenhuis B. en dat zij op 1 januari 1991 werd getransfereerd naar het psychiatrisch verzorgingstehuis D., hetgeen door eiseres niet wordt betwist. Er wordt door eiseres evenmin betwist dat haar zuster tot op de dag van haar overlijden heeft verbleven in voornoemd psychiatrisch verzorgingstehuis D.
Hieruit volgt dan ook dat de zuster van eiseres sedert 20 november 1972 tot op de dag van haar overlijden ononderbroken in een psychiatrische instelling heeft verbleven, hetgeen trouwens door eiseres niet wordt betwist, zodat verweerder het vermoeden dat eiseres en haar zuster sedert 11 maart 1998 ononderbroken samenwoonden en een gemeenschappelijke huishouding voerden ongetwijfeld heeft weerlegd.
Aangezien verweerder aldus het vereiste tegenbewijs heeft geleverd en aangezien eiseres niet het minste bewijs levert dat zij en haar zuster ten minste één jaar daadwerkelijk hebben samengewoond en een gemeenschappelijke huishouding hebben gevoerd onmiddellijk voorafgaand aan het verblijf van haar zuster in een psychiatrische instelling, kan eiseres niet genieten van het tarief tussen samenwonenden.
Bijgevolg heeft de administratie terecht het tarief tussen broers en zusters toegepast.
Betreffende de rechtsplegingsvergoeding Op de terechtzitting van 13 februari 2008 hebben beide partij en standpunt ingenomen over de rechtsplegingsvergoeding, die vanaf 1 januari 2008 van toepassing is, zodat de rechten van verdediging werden gerespecteerd; beide partijen zijn het erover eens dat het te dezen gaat om een niet in geld waardeerbare vordering, hetgeen ook het standpunt van de rechtbank is, en dat het basisbedrag 1.200,00 EUR bedraagt.
Beide partijen verzoeken om vermindering van dit basisbedrag, indien zij in het ongelijk worden gesteld, gelet op het kennelijk onredelijk karakter van de situatie.
De rechtbank is echter van oordeel dat er geen redenen zijn om af te wijken van het basisbedrag van 1.200,00 EUR.
Betreffende de uitvoerbaar verklaring bij voorraad Krachtens artikel 142/3 W.Succ. schorsen de termijnen van verzet, hoger beroep en cassatie, alsmede het verzet, het hoger beroep en de voorziening in cassatie de tenuitvoerlegging van de gerechtelijke beslissing zodat huidig vonnis dan ook niet uitvoerbaar bij voorraad kan verklaard worden.
OM DEZE REDENEN
DE RECHTBANK,
Rechtdoende op tegenspraak,
Alle andere en strijdige conclusies verwerpend,
Verklaart de vordering toelaatbaar, doch ongegrond en wijst deze af.
Veroordeelt eiseres tot de kosten van het geding tot op heden door verweerder begroot op de rechtsplegingsvergoeding en door de rechtbank ambtshalve vereffend op l.200,00 EUR rechtsplegingsvergoeding
Deze bijdrage wordt gerefereerd in
Lijst externe links
- Externe link: http://www.erfwijzer.nl/berekenen/successierecht.html
- Externe link: http://www.successierecht.be/
LINKS
Dit is een voorbeeld van tekst die Elfri zelf beheert :)
Dit is WYSIWYG met uitgebreide mogelijkheden om de teks te formateren
RECHTS
Dit is een voorbeeld van tekst die Elfri zelf beheert :)
Dit is WYSIWYG met uitgebreide mogelijkheden om de teks te formateren
