Een geldig bevel tot betaling dat wordt betekend aan degene die men wil beletten de verjaring te verkrijgen, heeft stuitende werking. Deze regel vindt zijn grondslag in artikel 2244 BW. Het bevel tot betaling is een daad van rechtspleging waarmee de schuldeiser zijn aanspraak effectief geldend maakt en de verjaring van zijn recht onderbreekt.
Het bevel kan worden omschreven als de akte waarbij de gerechtsdeurwaarder, op basis van een uitvoerbare titel zoals een vonnis of een notariële akte, de schuldenaar aanmaant tot uitvoering van zijn verbintenis, onder de dreiging dat in geval van weigering de openbare macht tegen hem zal worden aangewend. Ook een dwangbevel dat wordt uitgevaardigd door de belastingadministratie wordt in dit verband als een bevel tot betaling beschouwd. In de praktijk wordt het vaak enkel betekend met het oog op het stuiten van de verjaring, zonder dat er onmiddellijk een uitvoerend beslag volgt.
Niet elke aanmaning of ingebrekestelling heeft echter stuitend effect. Een gewone brief van een gerechtsdeurwaarder of een advocaat, hoe uitdrukkelijk ook geformuleerd, is geen uitvoerbare akte en kan daarom geen stuiting teweegbrengen. Evenmin maken een kennisgeving van schuldoverdracht, een verzet tegen verdeling, een eenvoudige aanmaning, een hypothecaire inschrijving of de loutere betekening van een rechterlijke beslissing een bevel tot betaling uit. Ook de betekening van een factuur mist elk uitvoerend karakter en kan de verjaring niet onderbreken.
Sedert 21 juli 2013 beschikt de gerechtsdeurwaarder evenwel over de mogelijkheid om een stuitende ingebrekestelling te verzenden, op voorwaarde dat voldaan is aan de wettelijke vereisten van artikel 2244, § 2 BW. Die mogelijkheid komt naast het klassieke bevel tot betaling en heeft een gelijkaardig verjaringsonderbrekend effect.
Het is niet vereist dat het bevel uitdrukkelijk melding maakt van zijn stuitend karakter. Het volstaat dat het een geldig bevel is, opgesteld op basis van een uitvoerbare titel en betekend aan de schuldenaar. De betekening is essentieel, aangezien de stuiting slechts werking heeft tegenover degene aan wie het bevel werd betekend. De stuiting vangt aan op de dag van het betalingsbevel zelf; de betekening is een voorwaarde voor het ontstaan van het effect, maar verandert niets aan het tijdstip waarop dat effect begint te lopen.
De gevolgen van het bevel tot betaling zijn onderworpen aan de algemene regels van de burgerlijke stuiting. De stuiting heeft enkel uitwerking tussen de betrokken partijen en beperkt zich tot de aanspraak waarop het bevel betrekking heeft. De draagwijdte van de stuiting moet dan ook in concreto worden beoordeeld aan de hand van de inhoud van het bevel. De bepalingen van de artikelen 2249 en 2250 BW, die uitzonderingen voorzien voor hoofdelijkheid en borgstelling, zijn hierbij van toepassing.
Na het bevel tot betaling begint een nieuwe verjaringstermijn te lopen op de dag volgend op de stuiting, tenzij het bevel aanleiding geeft tot een uitvoerend beslag. In dat geval blijft de verjaring geschorst zolang de uitvoeringsmaatregel voortduurt. Wanneer tegen het betalingsbevel verzet wordt ingesteld, strekt de stuitende werking zich uit over de volledige duur van de procedure. Het Hof van Cassatie heeft geoordeeld dat het bevel tot betaling als de eerste daad van tenuitvoerlegging moet worden beschouwd. Het stuit de verjaring niet alleen op het ogenblik van betekening, maar behoudt dat effect gedurende het gehele geding dat volgt op het verzet, tot op het ogenblik dat daarover definitief uitspraak is gedaan.
Het bevel tot betaling vormt aldus een autonome daad van stuiting, met een ruime en blijvende werking zolang de tenuitvoerlegging of de daaruit voortvloeiende procedure aanhangig blijft. Het biedt de schuldeiser een krachtig instrument om zijn aanspraak te behouden en de verjaring te onderbreken zonder dat een nieuwe rechtsvordering hoeft te worden ingesteld.
