De summiere rechtspleging om betaling te bevelen is een vereenvoudigde procedure waarmee een schuldeiser betaling kan vragen zonder de gewone dagvaardingsprocedure te moeten volgen. Juist omdat deze procedure snel en relatief eenzijdig verloopt, zijn de wettelijke voorwaarden strikt.
Een essentiële voorwaarde is dat de vordering wordt gestaafd door een geschrift dat van de schuldenaar uitgaat. Het volstaat dus niet dat de schuldeiser zelf facturen, brieven, herinneringen of berekeningen voorlegt. Die documenten kunnen nuttig zijn om de vordering te verklaren, maar zij vervangen niet het vereiste geschrift van de schuldenaar zelf.
Dat geschrift moet niet noodzakelijk een uitdrukkelijke schulderkenning bevatten. Het is voldoende dat het een document of elektronische verklaring betreft die redelijkerwijze aan de schuldenaar kan worden toegeschreven en die de grondslag van de vordering ondersteunt. Een ondertekende brief, een ingevuld formulier, een digitale aangifte, een e-mail of een ander elektronisch document kan in aanmerking komen, op voorwaarde dat voldoende vaststaat dat het werkelijk van de schuldenaar afkomstig is.
Belangrijk is dat een geschrift niet noodzakelijk op papier moet bestaan. Ook een digitaal document kan een geschrift zijn. Een geschrift is immers een geheel van betekenisvolle lettertekens, ongeacht de materiële drager. Een elektronische verklaring kan dus juridisch dezelfde bewijsfunctie vervullen als een papieren document, mits de herkomst en de integriteit voldoende worden aangetoond.
De schuldeiser moet dat geschrift ook daadwerkelijk bijbrengen. Het is niet voldoende om te beweren dat de schuldenaar een digitale verklaring, bestelling, aangifte of bevestiging heeft gedaan. De rechter moet het stuk kunnen controleren. In de summiere rechtspleging moet het relevante geschrift, of minstens een afschrift daarvan, bij het verzoekschrift worden gevoegd.
Wanneer de schuldeiser enkel zijn eigen documenten voorlegt, zoals facturen of bevestigingsbrieven, zonder het oorspronkelijke stuk van de schuldenaar, is niet voldaan aan de wettelijke voorwaarde. De rechter kan de vordering dan niet toewijzen via de summiere rechtspleging om betaling te bevelen.
Ook eerdere beslissingen waarin vergelijkbare vorderingen wel werden toegestaan, ontslaan de schuldeiser niet van deze bewijsverplichting. Elke rechter moet in het concrete dossier nagaan of er werkelijk een geschrift voorligt dat van de schuldenaar uitgaat.
De praktische les is duidelijk: wie gebruik wil maken van de summiere rechtspleging om betaling te bevelen, moet vooraf nagaan of hij beschikt over een document dat aan de schuldenaar kan worden toegeschreven. Bij digitale documenten moet bovendien kunnen worden aangetoond dat de inhoud betrouwbaar is en dat het document effectief afkomstig is van de schuldenaar.
Samenvatting van de casus waarvan de tekst van het vonnis hierna wordt weergegeven
In deze zaak vorderde een schuldeiser via de summiere rechtspleging om betaling te bevelen een bedrag van 1.738,91 euro wegens wettelijke heffingen en boetes. De bedragen waren gefactureerd over meerdere jaren. De schuldeiser stelde dat de heffingen waren berekend op basis van digitale aangiftes die de schuldenaar via het internet had ingediend. Nadien werden die aangiftes jaarlijks door de schuldeiser bevestigd per brief.
De voorafgaande aanmaning werd door de schuldenaar niet afgehaald bij de post. De rechter oordeelde dat dit op zich geen probleem was: aan de vereiste van voorafgaande aanmaning was voldaan, ook al had de schuldenaar de aangetekende zending niet afgehaald.
Het probleem lag elders. De door de schuldeiser verzonden bevestigingsbrieven gingen uit van de schuldeiser zelf en niet van de schuldenaar. Zij konden dus niet gelden als het vereiste geschrift dat van de schuldenaar uitgaat.
De rechter aanvaardde wel principieel dat digitale aangiftes van de schuldenaar een geschrift kunnen vormen in de zin van de summiere rechtspleging. Een digitaal document kan dus volstaan, ook al bevat het geen formele schulderkenning. Maar de schuldeiser had die digitale aangiftes niet voorgelegd. Hij had dus niet bewezen dat er een geschrift bestond dat met zekerheid aan de schuldenaar kon worden toegeschreven.
Bij gebrek aan dat bewijs werd de vordering afgewezen.