Een consument uit Neurenberg sloot eind 2021 een pakketreisovereenkomst met een Duitse reisorganisator met zetel in München. De reis was bestemd voor een derde land, dus voor een bestemming buiten Duitsland en buiten de betrokken lidstaat. De boeking gebeurde via een reisbureau in Neurenberg, maar dat reisbureau was geen partij bij de overeenkomst en ook geen filiaal van de reisorganisator. De consument stelde daarna dat hij vooraf onvoldoende was geïnformeerd over de voorwaarden om het land binnen te mogen en over de noodzakelijke visa. Door dat gebrek aan informatie kreeg hij geen toegang tot de reisbestemming.
De vordering van de consument was een schadevordering van 1.499,86 euro. Hij stelde die in bij de rechter van zijn eigen woonplaats, namelijk het Amtsgericht Neurenberg. Zijn standpunt was dat hij zich als consument mocht beroepen op de Europese bevoegdheidsregels en dus zijn zaak voor zijn thuisrechter mocht brengen.
De reisorganisator betwistte dat. Volgens hem ging het om een zuiver interne Duitse situatie, omdat zowel de consument als de reisorganisator in Duitsland woonden. Als dat juist zou zijn, dan was de Europese verordening over bevoegdheid niet van toepassing en moest men terugvallen op de gewone nationale Duitse regels. Die nationale regels wezen veeleer naar de rechter van de zetel van de verweerder, dus München, en niet naar Neurenberg.
De echte discussie ging dus niet over de inhoud van de reis zelf, maar eerst over de vraag welke rechter de zaak mocht behandelen. Meer bepaald rees de vraag of er wel een internationaal element aanwezig was. Dat element zat hier niet in de woonplaats van de partijen, want die lagen in hetzelfde land. De vraag was of de buitenlandse reisbestemming op zichzelf volstond om de zaak toch internationaal te maken. Daarnaast was er nog een tweede vraag: als de Europese regel van toepassing is, bepaalt die dan alleen dat Duitsland internationaal bevoegd is, of zegt die ook meteen dat precies de rechter van de woonplaats van de consument territoriaal bevoegd is.
Het belang van die discussie is groot. Als de consument gelijk krijgt, kan hij zijn vordering instellen bij de rechter van zijn eigen woonplaats. Dat maakt procederen veel toegankelijker en goedkoper. Als de reisorganisator gelijk krijgt, moet de consument zich richten tot de rechter die volgens de gewone nationale regels bevoegd is, doorgaans de rechter van de zetel van de onderneming. De zaak gaat dus over de praktische bescherming van de consument: mag die echt naar zijn eigen rechter stappen, ook wanneer beide partijen in hetzelfde land wonen maar de reis naar het buitenland ging?
Het Hof heeft uiteindelijk bevestigd dat de buitenlandse bestemming hier volstaat als grensoverschrijdend element. Daardoor valt het geschil binnen het toepassingsgebied van de verordening. En artikel 18 geeft in zo’n geval niet alleen internationale bevoegdheid, maar ook territoriale bevoegdheid aan de rechter van de woonplaats van de consument.
In heel eenvoudige woorden: de zaak was belangrijk omdat zij besliste of een consument bij problemen met een pakketreis naar zijn eigen rechter mag stappen, ook al wonen hij en de reisorganisator in hetzelfde land, enkel omdat de reis naar het buitenland ging.